GESCHIEDENIS VAN MOLUKKEN



Prekoloniaal

In de vroege zevende eeuw werd het gebied van de Molukken al bezocht door Chinese zeelieden in verband met de specerijen zoals kruidnagel die alleen hier groeiden. In de negende eeuw waren Arabische handelaren erin geslaagd om de Molukken te vinden en introduceerden zo de islam in het gebied tussen 1300 en 1400. Daarvoor behoorden de Molukken tot in de twaalfde eeuw tot het koninkrijk Sriwijaya. Het Majapahitrijk zou echter Sriwijaya echter voorbijstreven en in het begin van de veertiende eeuw een belangrijk deel van Zuidoost-Azie in handen krijgen. Op die manier konden Javaanse handelaren de specerijenhandel op de Molukken monopoliseren.   

De Portugezen & De Molukken

 

Is een verhaal dat in Nederland weinig bekendheid geniet, daar wij opgegroeid zijn met het zeer
nationalistische “Daar werd iets groots verricht”. Die uitspraak komt oorspronkelijk uit de mond van Jan Pietersz. Coen en geeft goed weer hoe de Nederlanders over de hun door God gegeven taak dachten. Als je iets ‘groots’ verricht is dat zondermeer voor een goede zaak, doch hoe zijn die grootse verrichtingen ooit begonnen? Na enig gezoek naar een route via de noordelijke ijszeeën begon het grote avontuur in de oost voor de Nederlanders met de “Eerste Schipvaart”. Dat was een expeditie die met ondermeer met van de Portugezen afgekeken gegevens op touw was gezet. Er voer een vloot van vier schepen naar het oosten, die uiteindelijk tot de ontdekking door de Nederlanders van de zeeroute naar Indië leidde. Op 2 april 1595 vertrok men onder leiding van Cornelis de Houtman en Gerrit van Beuningen vanaf de rede van Texel. Op 6 juni 1596 komt men aan bij het eiland Enggano, ten westen van zuidelijk Sumatra. Op 23 juni 1596 zette de eerste Nederlander een voet aan wal te Bantam, op dat moment de belangrijkste internationale haven op Java en stapelplaats van peper en andere koloniale waren. De reis was moeizaam verlopen, met veel conflicten aan boord en groot verlies aan mensenlevens. Op 14 augustus 1597 keerden er 3 schepen in Amsterdam terug met aan boord slechts 87 van de oorspronkelijke 240 bemanningsleden. Commercieel gezien was de tocht geen succes, maar de route naar Indië was gevonden en dat leidde al snel toe dat er in de jaren daarna vanuit Nederland heel veel schepen richting Indië zouden vertrekken, want er vielen grootse winsten te behalen.

Zo bijzonder was het vinden van die route eigenlijk ook weer niet, want de Nederlanders waren reeds vooraf gegaan door de Portugezen met Antonio de Abreu in 1512, daarna de Spanjaarden met de Magelhaen expeditie in 1521 en de Engelsman Francis Drake in 1579. De Portugezen hadden in de Molukken reeds vanaf hun eerste aanwezigheid aldaar allerlei nederzettingen gesticht en forten gebouwd. Zij hadden voor Europa een monopolie voor kruidnagels, muskaatnoten en sandelhout gevestigd. Nadat de route naar Indië bekend was rustten de Nederlanders de “Tweede Schipvaart” uit, een vloot van 8 schepen die o.l.v. Jacob van Neck op 1 mei 1598 vertrok, deze expeditie werd een groot succes. Een jaar later kwamen 4 schepen rijk beladen uit Bantam terug. De andere schepen waren doorgevaren naar de Molukken. Jacob van Heemskerk kwam in mei 1600 met de “Zeeland” en “Gelderland” uit Banda terug, de schepen die onder zijn leiding stonden waren volgeladen met muskaatnoten, foelie en kruidnagelen. Wijbrand van Warwijck had met de “Amsterdam” en de “Utrecht” Ambon, Ternate en Menado aangedaan, ook zijn schepen kwamen in augustus 1600 volgeladen terug. Met deze tocht werd een enorme winst gemaakt. Tijdens de tocht hadden zich de eerste confrontaties met de Portugezen voorgedaan. De Portugezen voelden zich in hun monopolie bedreigd door de nieuwkomers, die ook nog eens betere schepen met een superieure bewapening bezaten. Het cynische van deze schipvaarten is dat ze medegefinancierd werden door Sefardische Joden. Deze joden waren eerder voor de Inquisitie vanuit Portugal gevlucht. Het waren vaak kapitaalkrachtige kooplui met vele handelsrelaties, een groot aantal van hen hadden zich vooral in Amsterdam gevestigd. Zij droegen achternamen als Pereira, Cardozo, Texeira de Mattos , Spinosa, Nunes, De Pinto, Da Costa of Vas Dias.

Op 6 april 1599 vertrok er een vloot van 3 schepen richting Indië onder bevel van Steven van der Haghen. Bij aankomst in Indië liet bij Kaitehu op het schiereiland Leihitu het Kasteel van Verre bouwen. Hij deed dit om de inwoners militair te steunen tegen de Portugezen. Een aanval op het fort van de Portugezen op het schiereiland Leitimor mislukte. De Portugezen, meenden op grond van het Verdrag van Tordesillas andere Europeanen uit "hun" deel van Azië te kunnen weren. Dit verdrag was in 1494 tussen Spanje en Portugal gesloten en deelde de grotendeels nog onontdekte wereld op in twee helften. De verdeling was gelijk tussen de Spanjaarden en de Portugezen langs een noord-zuidlijn 1770 km ten westen van Kaapverdië, met al het land ten oosten ervan voor Portugal en al het land ter westen ervan voor Spanje. Naar aanleiding hiervan werd de facto een Portugees-Nederlandse oorlog gevoerd als een wereldwijde uitbreiding van de Tachtigjarige Oorlog. Het leverde een ondermijning van het Portugese Rijk op en het resultaat was de opbouw van de Nederlandse koloniën. Op een volgende reis in 1605, nam Steven van der Haghen, alleen door vertoon van macht, het fort Nuestra Senhora de Anunciado te Ambon stad over door met zijn schepen langs dit fort te varen. De Portugezen waren bang geworden en vluchtten, de Nederlanders namen het fort in en hernoemden het “Nieuw Victoria”. Met de overname van het hoofdkwartier der Portugezen was de macht van de Nederlandse VOC in de Molukken gevestigd.



 

nieuw victoria
Poort van “Nieuw Victoria" omstreeks 1930



Met de verovering van het fort te Kota Ambon kwam er een einde aan de Portugese overheersing van de Molukken die in 1511 was begonnen met de expeditie van Antonio Abreu en Fransisco Serrão. De Portugese ontdekkingsreiziger Affonso de Albuquerque had in 1510 het Indiase Goa veroverd, vervolgens Malaka in november 1511. Aldaar kwam hem het bestaan van de Molukken ter ore. Hij zond een vloot uit om de route naar deze eilanden te ontdekken. Hij had het grote geluk dat hij een Maleise stuurman, Nachoda Ismail, die de route kende, kon aannemen. De vloot voer via de noordkust van Java en Bali naar de kleine Sunda eilanden, vandaar naar Banda, dat in december 1511 werd bereikt. Abreu keerde daarna terug naar Malaka, zijn schip volgeladen met foelie en muskaatnoten. Serrão vervolgde de tocht, met 9 Portugezen en evenveel Indonesiërs. Hij leed echter schipbreuk op een klein eiland nabij. Zij werden daar overvallen door lieden die het op vermeende rijkdommen die in het schip lagen hadden gemunt, zij werden echter overmeesterd door de Portugezen, die de overvallers dwongen om hen naar Hitu te brengen. Daar maakten ze grote indruk door hun kleding en hun wapens. Ze sloten een verbond om gezamenlijk de vijanden in Luhu, op het schiereiland Hoamoal, West Seram te bestrijden.

Het nieuws dat Malaka door de Portugezen was veroverd verspreidde zich snel door de Archipel, vele staatjes probeerden in contact te komen met Serrão, zij wilden hier een grotere macht mee bewerkstelligen. Serrão had de Hitunezen geholpen in de strijd tegen West Seram en had deze gewonnen. Hij werd uitgenodigd om naar het machtige sultanaat Ternate te komen. Deze uitnodiging werd door Serrão geaccepteerd. Hij kreeg toestemming om op Ternate een handelspost (feitoria) te stichten. Serrão werd zelfs militaire adviseur van de Sultan van Ternate, Kaichil Koliba. Daarmee werd Ternate veel machtiger dan zijn rivaal, het buureiland Tidore. Serrão had in Tuban een Javaanse vrouw getrouwd en die meegenomen, zij werd de eerste bruid van een Portugees in Indie. De bemanningsleden van Serrão volgden zijn voorbeeld en trouwden lokale vrouwen. Dit was het begin van de eerste Portugese nederzetting in de Molukken. Om op deze manier een Portugese volksplanting te doen ontstaan was een initiatief van Albuquerque. Het was volgens hem beter om te handelen met mensen die in een bepaald gebied gesetteld waren, in plaats van zaken te doen met vrijgezellen, die in elk stadje een ander schatje hadden. Zo ontstonden er langzamerhand Portugese nederzettingen op de Molukken. Het waren meestal zelfstandige mannen die zich vestigden, meestal in de nabijheid van een Portugese handelspost of fort. Op Ternate werd het fort Sao Joao Bautiste gebouwd, de eerste steen werd gelegd in aanwezigheid van leden van het koninklijk huis van Ternate. In de jaren die volgden werden er handelsposten en forten gevestigd te Hitu, Tawiri en Hative. Ook op de eilanden Halmaheira, Makian en Bachan werden er Portugese nederzettingen gesticht.

 

Het koloniale systeem van de Portugezen was om eerst handelsposten te vestigen, daarna deze militair te versterken en vervolgens het Katholieke geloof

te verspreiden. Of in een andere volgorde net wat het beste uitkwam op dat moment. Het gebeurde vaak genoeg dat als er een Portugees schip ergens aankwam de bemanning meteen begon met het winnen van zieltjes. In 1522 kwam er een groep van Franciscanen op Ternate aan, die hun geloof gingen prediken, als spoedig verrezen er kapellen en kerken in de buurt van het fort. Ook werden de kinderen die geboren werden uit de relaties die de Portugezen met de lokale vrouwen aangingen onmiddellijk gedoopt. Naarmate er meer schepen uit Goa en Malakka arriveerden vestigden zich meer Portugese ambtenaren en militairen die relaties met lokale vrouwen aangingen. Toen de Jezuïtische missionaris Fransiscus Xavier op de Molukse eilanden aankwam waren er inmiddels 37 Christelijke dorpen op Ambon en de eilanden in de buurt. Albuquerque’s ideaal waren huwelijken tussen Portugese vrouwen en mannen, maar de vrouwen in Portugal kwamen hun huis niet uit, behalve om gedoopt te worden, om te trouwen en in haar kist als ze gestorven was. De enige vrouwen die vanuit Portugal naar de koloniën in Afrika en Azië vertrokken waren weesmeisjes. Zij kregen een bruidschat mee en waren in dienst van de Portugese overheid, doch dit was slechts een klein aantal, waarvan velen nog stierven en ook veel miskramen hadden. Veel waren ook te lelijk of te oud om aan de man te geraken. Sommigen werden als bruid vergeven aan Aziatische prinsen die met de Portugezen samenwerkten. Hun aantal was echter klein, met de Portugese vloot die Jaarlijks vanuit Lissabon naar de koloniën vertrok gingen er hoogstens 20 – 30 vrouwen mee, mannen daarentegen in een aantal van 3 – 4000. In de Molukken waren er helaas teveel hooggeplaatste Portugezen die dachten dat ze belangrijk waren, daarom zijn de Molukken nooit een bloeiende nederzetting geworden zoals Goa of Malakka. Ook was de militaire aanwezigheid te zwak in dit meest oostelijke punt van het Portugese rijk.

De leiding van de Portugezen was in handen van zogenaamde kapiteins, deze waren nogal hebzuchtig. Op Ternate werd in 1529 de regent Kaicil Daroes onthoofd door toedoen van deze kapiteins, die zich met allerlei interne aangelegenheden van de vorst begonnen te bemoeien. Toen kwam ene Abuhayat op de troon, doch deze stierf vrij snel door onbekende oorzaak. Hij werd opgevolgd door een jongere broer, die echter met de Portugezen in conflict kwam en naar Halmaheira werd verbannen. Er kwam een andere broer Tabarija op de troon, die werd beschuldigd van een complot tegen de Portugese kapitein Tristao de Ataide. Hij werd gevangen gezet tezamen met de koningin-moeder en de eerste minster Patih Serang en na twee jaar opgezonden naar Malakka en verder naar Goa als verdachte in een rechtszaak. Er werd weer een half-broertje door de Portugese kapitein op de troon geplaatst, dit was Hairun. Intussen hadden berichten over misstanden op Ternate Malakka en Goa bereikt en daarom besloot men vanuit men een nieuwe kapitein te zenden. Deze kapitein was Antonio Galvao, die zijn functie van 1536 tot 1539zou uitoefenen. Na wat strijd geleverd te hebben zette hij zich in voor goede relaties tussen de heersers van Ternate en Tidore, die twee waren eeuwige rivalen. In die tijd verbleven er op Ternate 18 Portugese mannen die met lokale vrouwen waren getrouwd., de zgn. “casados”, naast de casados vond men soldados, de soldaten, die ongetrouwd waren. Galvao blies de Portugese nederzettingen een nieuw leven in, hij had nieuwe casados meegenomen en ook enkele Portugese meisjes. Ook introduceerde hij een bouwtechniek die “pedra e cal” heette, in het Nederlands “steen en kalk” De gebouwen die hiermee werden gebouwd waren erg sterk. Men paste deze techniek eerst toe op forten, later werden ook de huizen zo gebouwd. De stijl van de huizen is in die jaren waarschijnlijk sterk veranderd en werd overgenomen tot in de meest afgelegen gebieden. Tot vandaag de dag kent het bahasa Indonesia nog steeds bouwkundige termen die uit het Portugees afkomstig zijn zoals : janela, porta, mesa, cadeira, martelo, cacarola en tela.

Wat bijna een revolutie betekende waren de nieuwe landbouwgewassen die Galvao met zich meebracht. Deze gewassen waren verzameld door de nederzettingen in Afrika, Brazilië, India en Malakka. Hij nam druiven mee, die deden het zo goed dat er twee keer per jaar geoogst kon worden, verder tomaten, avocado’s, maniok en chilipepers. Deze gewassen werden zeer populair en zijn dat gebleven tot vandaag de dag. Wie kan zich een Indonesië voor de geest halen waar geen sambal te vinden is. Voordat Galvao rode pepers meenam gebruikten de Indonesiërs slechts lokale peper, de zaden afkomstig van de peperplant. Het eten dat er in de Molukken werd gegeten was heel erg eenvoudig, sago en vis, dat is het op veel plaatsen nog steeds. Toen de Portugezen allerlei gewassen introduceerden werd het dagelijkse voedsel een stuk beter en gevarieerder. Ook werd er door Galvao een seminarie gesticht, daar gingen de kinderen van de hoog geplaatste Molukkers studeren, er leerden zelfs kinderen die van Morotai en Jailolo kwamen. De beste leerlingen werden naar Malakka gestuurd om verder te leren. Hetgeen er allemaal op Ternate gebeurde werd bekend tot in de wijde omgeving en allerlei hooggeplaatsten kwamen op het eiland af. Zij lieten hun kinderen daar studeren, lieten zichzelf dopen. Er kwamen zelfs edelen uit Makassar. Vanuit Ternate werden er ontdekkingsexpedities gestuurd naar de Raja Ampat eilanden en zo ver als het eiland Papua (Nieuw Guinea).

Ook op het eiland Ambon hadden er grote veranderingen plaats gevonden. De Portugezen hadden een “loja” (loge) in Hitu opgezet. De haven van Hitu was echter open en met de west moesson was het moeilijk om een schip daar aan te leggen. De Portugezen vroegen aan de vorst om een andere plek met een betere haven, die kregen ze nabij Hatiwi en Tawiri. Daar vestigden zich een aantal Portugezen die ook met lokale vrouwen trouwden. De haven van Hitu bleef in gebruik voor de vloot die uit Malakka kwam, o.a. om handel te doen en vers water in te nemen. Helaas waren er voortdurend gewelddadige conflicten tussen de lokale bevolking en de Portugezen en de mensen die zich bij de Portugezen hadden aangesloten. We kunnen dit ook zien als conflicten tussen moslims en christenen. In 1536 ging een van de leiders van Hative naar Malakka en verder naar Goa om de hulp van de Portugezen tegen de moslims van Hitu in te roepen. In 1538 arriveerde er een Portugese vloot die korte metten maakte met de gecombineerde vloot van schepen van Hitunezen, Javanen, Makassaren en Ambonezen. Daarna voer de vloot o.l.v. Galvao door de Molukse wateren om de vrede te trachten te behouden. De koningen van Nusaniwi, Kilang en Amantelo op het schiereiland Leitimor bekeerden zich tot het christendom. De situatie rond Hitu bleef gespannen en op een gegeven moment kwam tot een uitbarsting. Tijdens een banket op een bezoekend Portugees schip beledigde een dronken soldaat de dochter van de koning. Toen de koning daar iets van zei kreeg hij van de soldaat een klap op zijn hoofd. De Hitunezen waren hierdoor zo beledigd dat zij de Portugezen uit de haven van Hitu verbanden en verklaarden hen nooit meer wensten te zien. De mannen die op het land in de omgeving van Hitu woonden moesten over de bergen naar het andere kant van het schiereiland woonden lopen om zich daar te gaan vestigen. Dit gebeurde bij Cabo Martim Affonso (die heet tegenwoordig Tanjung Martafons)

Galvao nam in 1539 zijn ontslag er waren teveel intriges van allerlei collega’s die graag hun deel van de lucratieve handel opeisten. De Molukkers hadden graag dat hij bleef maar Galvao had er genoeg van. Hij had zijn persoonlijke fortuin is de ontwikkeling van de Molukken gestoken. Hij is naar Portugal terug gegaan en daar in een armenhuis gestorven, Hij liet een manuscript na met de titel “Historia das Moluccas” dit manuscript is eeuwen zoek geweest. In 1965 werd er een waarschijnlijk eerdere versie van ontdekt door een Jesuit Father Hubert M. Jacobs, S. J. Dit is in 1971 uitgegeven onder de titel “A treatise on the Moluccas”




Intussen zat de afgezette sultan van Ternate Tabarija op Goa gevangen. Hij sloot daar vriendschap met Jordão de Freitas, die diverse keren als handelaar en commandeur van de Portugese vloot op Ternate was geweest. Zij werden goede vrinden, De Freitas stelde zelf aan je jonge koning voor om met zijn nichtje te trouwen. De Freitas adviseerde hem ook om katholiek te worden zodat de rechtzaak tegen hem gemakkelijker in zijn voordeel zou kunnen worden beslist. Tabarija liet zich dopen en nam de christelijke naam Manuel aan, daarbij kwam zijn titel Dom. Hij kreeg een huis en een maandelijkse toelage, waarmee hij zijn moeder en stiefvader, Nyai Chili en Patih Serang kon onderhouden. De Freitas was afkomstig van Madeira, waar zijn vader grootgrondbezitter was. De vader had deze grond van de Portugese koning ontvangen vanwege de diensten die hij aan hem had verleend. Het land was door zijn vader ontwikkeld en als tegenprestatie leverde hij de koning in tijden van nood voedsel en manschappen. De Freitas had een dergelijk systeem voor de Molukken in gedachten en probeerde Dom Manuel Tabarija te bewegen gronden af te staan voor een dergelijk project. Er zouden kolonisten moeten komen die het land zouden bewerken door er specerijen te planten en zouden de Portugezen niet meer afhankelijk wezen van de werkkracht van de lokale boeren. Tabarija die zich inmiddels Portugees voelde en in het vertrouwen dat hij nog steeds de baas op Ternate was gaf toe. Hij schonk gronden op Buru, Ambon en Seram aan de familie De Freitas voor zolang deze familie zou leven. In 1543 werd De Freitas tot kapitein op de Molukken benoemd en kon hij de exploitatie van de landerijen ter hand nemen. Maar voor dat De Freitas die benoeming binnen had ging hij naar Lissabon. Toen hij terug kwam op Goa had hij een koninklijk besluit mee waarin Tabarija onschuldig werd verklaard hij zou weer op de troon hersteld worden. Hairun zou worden gearresteerd en naar Goa worden gezonden om berecht te worden. Aldus geschiedde in begin 1545. Hairun werd in de boeien geslagen en op transport naar Malakka gesteld.

Hairun begon de Portugezen intussen wel een beetje door te krijgen. Als jongeman werd hij door de Portugezen op de troon geplaatst en dezelfde

Portugezen namen hem de troon weer af. Hij besloot zijn lot in eigen hand te nemen. Nou wil het toeval dat de dag nadat Hairun van Ternate naar Malakka vertrok, zijn halfbroer Dom Manuel Tabarija in Malakka wachtend op een schip naar Ternate ziek werd en stierf. Hij bleek vergiftigd te zijn. Het zou kunnen zijn dat Hairun zich had gerealiseerd dat met Tabarija als echte zoon van de koninginmoeder terug op de troon zijn eigen positie wel wat zwak zou worden. Ook was er diverse malen per brief vanuit Ternate bij de Portugese onderkoning op aangedrongen om Tabarija als wettige erfgenaam van de troon terug te sturen omdat Hairun geen enkel recht op de troon had. Voordat Tabarija stief had hij een testament gemaakt in het bijzijn van de koningin-moeder, zijn stiefvader, 3 broers en wat edelen. Met dit testament deed hij de kroon van het koninkrijk Ternate aan de koning van Portugal over. Als reden hiervoor werd gegeven dat Hairun geen zoon van de koningin-moeder was en daarbij ook nog eens muslim. Volgens zijn zeggen omvatte zijn koninkrijk behalve Ternate ook nog Motir, Makian, Kajoa, Moro en Batachina (Halmahera), verder verzocht hij om zijn volk tot het katholieke geloof te laten overgaan. Tabarija werd begraven in Goa, zijn moeder en stiefvader keerden naar Ternate terug waar zij opgevangen zouden worden door de Portugese gemeenschap. Na de dood van Tabarija konden de Portugezen niets anders doen dan Hairun weer op de troon plaats te laten nemen, deze weigerde echter. Hij wilde eerst zijn naam verschoond zien van alle beschuldigingen en wilde daarom op Goa, waar hij inmiddels gevangen was gezet, blijven. Hij eiste dat de zaak werd onderzocht en dat zijn onschuld officieel zou worden vastgesteld. Desnoods zou hij persoonlijk naar Lissabon gaan om de Portugese koning te spreken. Op het laatst werd zijn onschuld officieel bewezen verklaard en na twee jaar keerde hij terug naar Ternate.

Intussen had Jordão de Freitas Ternate als zijn woonplaats gekozen, hij had zijn neef Vasco de Freitas met manschappen naar Ambon gezonden om de gronden te beheren. Onder de kolonisten bevond zich Fausto Rodrigues, die later Fransiscus Xavier op zijn reizen door de Molukken zou gaan begeleiden en daarna het hoofd werd van de Portugese kolonialisaties op Leitimor, dat is het grote schiereiland dat aan Ambon vastzit. De kolonisten vestigde zich in Hukunalo dat ten zuiden van Hitu lag. Er waren daar veel sagobossen die voedsel konden verschaffen en er was ook een baai waar de schepen veilig konden aanleggen zonder last te hebben van de westenwinden en beschermd tegen eventuele aanvallen van de Hitunezen. Het verschil met deze nederzettingen met die van vroeger was, dat men niet alleen voor het eigen voedsel zorgde maar ook de handelsgewassen zelf kweekte, zodat men onafhankelijk van de plaatselijke bevolking kon werken en leven. Dat was belangrijk i.v.m. de vele conflicten die er tussen de Portugezen en de lokale bevolking ontstonden. De nederzetting viel onder de bescherming van het fort in Ternate, maar had hun eigen leider. Jordão de Freitas had zijn echtgenote, Dona Maria de Silva meegenomen, zij had van hem twee kleine kinderen en daarbij nog twee kinderen uit een eerder huwelijk. De condities voor vrouwen waren in de loop van de tijd verbeterd, ook het vervoer op de schepen was beter dan in de eerste jaren dat de Portugezen op de Molukken voeren.

De Freitas droomde van een christenkoninkrijk in de Molukken. In de periode dat Hairun op Goa gevangen zat benoemde hij de koningin-moeder Nyai Chili Boki Raia tot regentes. Toen zijn zoon een kopie van het testament van Tabarija uit Malakka meebracht zag hij kans om een Christelijk koninkrijk op de Molukken te proclameren. Nyai Chili moest aftreden en De Freitas werd zelf gouverneur. In die tijd kwam Fransiscus Xavier op de Molukken aan, hij vestigde zich in Hukunalo en begon met het bekeren van Molukkers tot het Katholicisme. Hij bezocht de christelijke dorpen in de omgeving. Daarna ging hij naar de eilanden Seram en Nusalaut, misschien ook naar Lease en Haruku. Daarna waren Ternate, Moro en de eilanden daarom heen aan de beurt. Huwelijken werden door hem gelegaliseerd, de nakomelingen gedoopt en Xavier predikte waar hij maar kwam, die vent was onvermoeibaar. Zijn preken werden in het Maleis gehouden, die taal had hij in Malakka geleerd en had hij gedeeltes uit de mis in het Maleis laten vertalen. Tussen de bekeerlingen was Nyai Chili, die zich bewust werd van al het ongeluk dat haar in dit leven had getroffen, ze was daar voor een devoot moslim. Toen zij echter Xavier ontmoette zag zij hem als haar redding en liet zich bekeeren. Zij nam de naam Dona Isabela aan. De Freitas was echter niet de tijd gegund om zijn ideeën te realiseren. In 1546 kwam er een schip op Ternate aan, met aan boord een afgevaardigde van de onderkoning van Goa, Bernaldim de Souza, ook aan boord bevond zich Hairun. De Souza bracht het nieuws dat Hairun officieel vrijgesproken was en weer als vorst zou worden geïnstalleerd. Nu werd De Freitas gearresteerd en gevangen genomen voor zijn misdaden. De Souza verving hem als kapitein. Ik hoop dat iedereen al deze intriges nog een beetje volgen kan. Toen De Freitas tegen zijn arrestatie protesteerde liet De Souza weten dat niemand in Malakka of Goa iets van Tabarija’s testament afwist. Hairin nam de troon over, er heerste daarover wel enige angst bij de Ternataanse edelen, omdat zij zijn harem en bezit hadden ingepikt, hij bleef echter rustig. Het verblijf op Malakka en Goa scheen Hairun veranderd te hebben. Hij droeg Portugese kleding en had zich een Europese levensstijl aangemeten, hij was een liefhebber van de schone kunsten en letteren geworden. Hij bezocht Dona Isabela en sloot vrede met haar. Hij had lange filosofische gesprekken met Fransiscus Xavier, die onder de indruk van Hairun was. Deze idyllische situatie duurde echter niet lang, op een gegeven moment nam Hairun de bezittingen van de koningin-moeder en haar echtgenoot in beslag en verbande hen naar een ander eiland. Hij liet weten dat hij weer Sultan was, een moslim vorst dus. Xavier ontvluchtte de Molukken, zeer teleurgesteld in het gedrag van de vorst, maar ook dat van zijn Portugese landgenoten. Hij keerde naar Malakka terug en stuurde een Jezuïeten priester naar Ambon. Die zette het werk van Fransiscus met succes voort en richtte de eerste Jezuïeten vestiging op. Hij verspreidde het katholieke geloof zelf naar diverse plaatsen op Menado en eilanden in de Zuidelijke Molukken.

xavier

Freitas werd naar Goa opgezonden en moest zijn gezin in de Molukken achterlaten. Na lange en kostbare rechtszaken lukte het hem om zijn naam te verschonen en keerde hij terug naar de Molukken, maar dit keer niet als kapitein. De regering in Goa realiseerde zich dat ze De Freitas beter zonder functie naar de Molukken terug konden laten keren, zodat ze Hairun niet tegen zich in het harnas zouden jagen. Dat zou ook beter voor de handel en de Portugese gemeenschap wezen. De Freitas ging verder met de ontwikkeling van zijn plantages nabij Hitu. Om de kolonisatie tegen agressie vanuit Hitu te beschermen vatte hij het idee op om een houten fort te bouwen. De Hitunezen riepen de hulp van de Koningin van Jepara in, deze zond een vloot en die kon voorkomen dat het fort werd gebouwd. De Freitas diende protest in bij Hairun, maar die maakte duidelijk dat hij niets kon doen, want De Freitas was een landeigenaar en Hairun slechts een bondgenoot van de koning van Portugal. De Freitas keerde uiteindelijk naar Goa terug waar hij in 1555 stierf.



De bezittingen van De Freitas werden door enige neven overgenomen die de zaak voortzetten. Hairun werd steeds machtiger en met hem de Islam. Met de Portugezen heerste er een gewapende vrede, het kwam af en toe wel eens tot schermutselingen, maar van oorlog kon er niet gesproken worden. Hairun stond min of meer achter de Portugese kapiteins, en steunde hen zelfs toen zij expedities naar Jailolo ondernamen, hij had daar zelf het meeste voordeel van, want op die manier werd zijn autoriteit ook op Halmahera gevestigd. De handel in nootmuskaat en kruidnagelen breidde zich gestaag uit en bracht de Portugezen grote winsten. De specerijen werden steeds populairder in Europa en de Portugezen waren de enigen die de route kenden naar de plekken waar de specerijen te halen vielen. Van de oorspronkelijke gedachte om een Portugese gemeenschap te ontwikkelen kwam weinig meer terecht, hebzucht speelde een grote rol bij de Portugezen en in plaats van God te eren zoals in de eerste jaren het geval was, werd nu Mammon gediend. De Portugezen stichtten handelsposten in Makassar en op Supa te Sulawesi, op Solor en Flores en enige andere eilanden in de zuidoostelijke hoek van de archipel. Zo werden er maximale winsten uit deze eilanden gehaald en het gebied waar de kruidnagels, nootmuskaat en sandelhout groeiden stonden onder Portugese controle. Op Ternate kwam het in ongeveer 1555 tot moeilijkheden. De kruidnageloogst van het eiland Makian was traditioneel bestemd voor de vorsten van Tidore en Ternate. Echter de Portugese kapitein ging aan de haal met deze oogsten en dat werd als een ernstig vergrijp tegen de adat beschouwd. Toen Hairun hier tegen protesteerde werd hij tezamen met zijn ministers gevangen gezet. Bij dit akkefietje werden de Portugezen geholpen door de christelijke kolanos (kolano is een vorstentitel) van Jailolo en Bachan. De Portugese kolonisten kozen echter partij tegen de Portugese kapitein. Deze kolonisten, de missionarissen en de mestiezen (Portugese halfbloeden) vormden een blok tegen de kapitein en protesteerden ook tegen de inhumane behandeling van Hairun en de leden van zijn regering. De kapitein werd gearresteerd en naar Malakka gezonden, waarna Hairun werd vrijgelaten. Er kwam een nieuwe Portugese kapitein vanuit Malakka, die een brief van de onderkoning uit Goa bij zich had. Daarin stond dat in lijn met het testament van Tabarija de Portugese koning de heerser over de Molukse eilanden was, Hairun was niet meer dan zijn vazal.

Molukken 1600

In de Portugeze tijd verstond men onder de Molukken de eilanden Ternate, Tidore, Moti, Makian en Bachan.



De autoriteit van Hairun groeide, hij verzette zich tegen de Portugezen die een permanent fort op Ambon wilden bouwen. Hij gaf geen reden op waarom, maar het was duidelijk dat de macht van de Portugezen met een tweede fort bijna onverslaanbaar zou worden. Ook zou veel van de handel via de Portugezen op Ambon gaan lopen. In zo een situatie zou Hitu een concurrent van Ternate kunnen worden. Hitu had al grote ambities getoond toen zij een verbond wilden aangaan met de koningin van Jepara en op die manier wat in de lokale politiek te vertellen wilden gaan krijgen. Als Ambon sterker zou worden zou Hitu daar groot profijt van kunnen gaan trekken. Omdat de Portugese nederzettingen sterk gegroeid waren hadden deze een betere bescherming nodig. In 1562 werd er een Portugese kapitein voor Ambon, Antonio Paes benoemd, deze kapitein viel onder de Portugese machthebbers te Ternate. Deze Paes begon een fort van duurzame materialen zoals koraalsteen op te richten. De kapitein in Ternate adviseerde echter hier niet verder mee te gaan want dat zou de handelsrelaties met de Molukkers ernstig kunnen verstoren. Waar Paes wel in slaagde was een leger van christelijke milities bijeen te brengen en te organiseren. In dit legertje zaten de voorlopers van de Ambonese soldaten die onder de Nederlanders berucht over de gehele archipel zouden worden. Intussen was Hairun bezig zijn vorstenhuis op legitieme basis te organiseren, zijn macht en zijn gebied werden steeds groter. Zijn positie bij de bevolking was vaak zwak geweest, hij was tenslotte een zoon van een concubine die door vreemdelingen op de troon was gezet en niet tot vorst benoemd zoals de adat dat vereiste. Die adat hield in dat de koning werd gekozen door een zgn. koninkrijksraad, Hairun achtte nu de tijd rijp om zijn macht te legaliseren. In de dagen toen Tabarija stierf waren er vaak confrontaties met Ternatanen geweest, zijn positie was vooral in paleiskringen dubieus. De invloed van Tabarija’s moeder, ondanks dat zij was hertrouwd en christen geworden nog steeds zeer groot. Er waren nog drie halfbroers die voor de kroon in aanmerking dachten te komen, er is niet bekend of dit echte halfbroers of stiefbroers waren. Hariun’s oudste zoon Baab was door hem als kroonprins benoemd, een zoon van een van de vele vrouwen die Hairun had, welke is niet bekend. Met de gegeven politieke situatie en de verhouding met de Portugezen achtte Hairun het de tijd om zijn positie alsmede zijn opvolging veilig te stellen. Op 12 februari 1564vlaat Hairun zijn testament bekend maken. Hij erkend dat hij een vazal van de Portugese koning is en erkend de soevereiniteit van de Portugezen over de Molukse eilanden, deze zal voor eeuwig duren. Het nageslacht van Hairun zal de eilanden regeren in naam van de Portugezen en daarmee zouden de laatsten de autoriteit van Hairun erkennen. Hairun’s zoon Baab wordt tot twee keer toe in het testament genoemd als zijn wettige opvolger en heeft het testament ook ondertekent. Tezamen met een aantal Ternataanse edelen en de koninkrijksraad, daarmee had Hairun zijn opvolging geregeld.

In 1565 brak er oorlog uit, de onderkoning in Goa zond 1000 man troepen onder leiding van Gonçalo Pereira Marramaque. In Hitu waren 600 man Javaanse troepen afkomstig uit Jepara gelegerd, tezamen met 2000 man van Hitu, zij bestreden gezamenlijk de Portugezen. Pereira was in staat om de strijd in zijn voordeel te beslissen en omdat zijn positie daardoor gunstig was vroeg hij aan Hairun toestemming om op Ambon een permanent fort te bouwen. Deze toestemming werd verleend op voorwaarde dat de Portugezen zijn rechten in Veranula, Lessidi en Kambelo op West Seram erkenden. Dit werd door Pereira geweigerd, maar hij ging toch door met het bouwen van een fort, hij kreeg hiervoor de hulp van de christenen van het eiland. Daarna werd het een tijdje stil in de regio, echter in 1570 brak er opnieuw oorlog uit om de kruidnageloogst van Makian. Hairun werd door de Portugezen vermoord. Alle Molukse vorsten en edelen sloten nu een verbond en belegerden het Portugese fort op Ternate, geen man, voedsel of water konden er meer in. Deze belegering zou vijf jaar gaan duren, toen gaven de Portugezen zich over en verlieten het fort.


 

De vorst van Ternate’s aartsrivaal Tidore die met lede ogen de macht van Ternate had zien groeien gaf de Portugezen toestemming om een fort op zijn

grondgebied te bouwen. De Portugezen trokken hierna massaal naar Tidore, de kolonisten en mestiezen gingen mee. Intussen was de zoon van Hairun, zijn vader als vorst van Ternate opgevolgd, hij noemde zichzelf Baab Ullah. Zijn macht breidde zich gestadig uit naar gebieden in de wijde omgeving van Ternate zoals Mindanao, Sangihe, Manadao en andere delen van Noord Sulawesi. Zij autoriteit was zo groot geworden dat hij zich Sultan mocht noemen. Hij stuurde afgevaardigden naar de hoven van Demak en Johore. De Portugese macht werd in die jaren langzamerhand gekortwiekt, en bereikte nooit meer de grootte die deze in de jaren 1550 - 1560 had. De activiteiten waren nu geconcentreerd op het eiland Ambon. In 1571 had de Portugese kapitein van Ambon het fort van Hitu naar Leitimor laten verplaatsen op ruime afstand van de voortdurende aanvallen van de Hitunezen. Op Leitimor werd er naar een geschikte plek gezocht, die kwam uiteindelijk toen de Radja van Soya een stuk land aanbood waar in 1576 een permanent fort gebouwd kon worden, dat was in feite de stichting van de stad Ambon. Het fort werd “Nossa Senhora da Anunciada”genoemd. Tezamen met de kapitein en zijn mannen verhuisden veel Portugese kolonisten en mestiezengezinnen naar deze nieuwe nederzetting. Ook hele christelijk dorpen die aan de overkant van de baai van Ambon lagen, zoals Hative, verhuisden naar de omgeving van het nieuwe fort en stichtten daar nieuwe dorpen. Het fort te Ambon werd een nieuw centrum van handel, nijverheid en religieus leven en tevens het Portugese hoofdkwartier in de Molukken. De getrouwde Portugese mannen leefden binnen de muren van het fort, de christelijke dorpen lagen buiten de muren, en bouwden al snel hun eigen kerken en scholen. Ook stuurden allerlei dorpen op Ambon en ver daarbuiten een vertegenwoordiger die zich vestigde in de omgeving van het fort.




Een speciale groep waren de Mardika, de Mardijkers. Hun naam is afgeleid van het Maleise woord Merdeka, wat vrij betekent. Deze Mardijkers waren slaven die hun vrijheid hadden gekregen omdat zij katholiek waren geworden. Zij waren veelal van zeer gemengd ras, Aziatisch, Afrikaans, Braziliaans of afkomstig uit een der verschillende delen van India. Zij waren door hun eigenaars tijdens hun verblijf in de diverse Portugese forten wereldwijd gekocht en meegekomen naar de Molukken. Hoewel zij vrij gekomen waren, verkozen vele Mardijkers bij hun voormalige eigenaren in dienst te blijven. Zij verbleven bij elkaar buiten de muren van het fort in hun eigen kampung. Net zoals hun eigenaren trouwden ze met lokale meisjes of vrouwen uit hun eigen gemeenschap. Zij bleven echter een groep die niet snel opging in de autochtone bevolking. Veel van hun waren marskramer, kleine handwerkslieden, bediende of los arbeider.

Er waren inmiddels ook nieuwe spelers op de specerijenmarkt verschenen n.l. de Spanjaarden. Rond 1580 erfde Spanje Portugal doordat de koninklijke familie van Portugal uitstierf. De moeder van de Spaanse koning Philips II was een Portugese prinses en daarom benoemde Philips zichzelf tot koning van Portugal. Dit werd in eerste instantie door de Portugese bevolking niet geaccepteerd, waardoor een invasie en bezetting nodig waren. De bezetting van Portugal leverde nieuwe koloniën en rijkdommen op. Weldra begon er in Goa en Malakka een gebrek aan geld, manschappen en munitie te ontstaan, want de havens van Lissabon en Oporto werden gesloten voor de specerijenhandel. Dat gaf de Nederlanders die in oorlog met de Spanjaarden waren, de kans om de route naar de specerijeneilanden te ontdekken. Er waren Nederlanders in Portugese dienst geweest die van de route afwisten. Iemand die veel over het Portugese handelsimperium te weten was gekomen was Jan Huygen van Linschoten. In 1583 zeilde hij in het gevolg van Vincente de Fonseca de nieuwe aartsbisschop van Goa uit naar India. Hij verzamelde in deze tijd gegevens uit diverse bronnen over het Portugese rijk in Azië. In 1589 keerde hij terug, tijdens een tussenstop op Sint Helena ontmoette hij een Antwerpenaar Gerrit van Afhuijsen, die op Malakka was geweest. Van hem deed hij veel kennis op van handel in die regio. In 1592 vertrok hij naar Nederland en vestigde hij zich in Enkhuizen. Jan Huygen van Linschoten publiceerde naar aanleiding van zijn reis naar Indië meerdere werken. In 1596 arriveerden de Hollanders te Bantam op Java en hadden daarmee de route naar Indië ontdekt. Niet lang daarna in 1599 arriveerde er een vloot van de Oude Oost-Indische Compagnie o.l.v. Steven van der Haghen bij Hitu. De inwoners van Hitu zagen in de Nederlanders niet alleen goede handelspartners maar ook bondgenoten in de strijd om van de Portugezen af te komen. Er werd een overeenkomst gesloten waarbij de Nederlanders militaire steun beloofden, op hun beurt schonken de Hitunezen aan de Nederlanders het “monopolie” voor de aankoop van specerijen. In ruil voor hun diensten kregen de Nederlanders ook toestemming om bij Kaitetu een fort te bouwen, het “Kasteel van Verre”. Het lukte Van der Haghen niet om de Portugezen te verdrijven. Hij beloofde echter terug te komen. Dat gebeurde in 1605, Steven van der Haghen hoefde alleen slechts zijn zwaar bewapende schepen langs het Portugese fort “Nossa Senhora da Anunciada” te varen om de Portugezen doodsbang te maken. De Portugese kapitein Gaspar de Mellos besloot toen tot overgave. Het fort werd door Van de Haghen hernoemd in “Victoria”.




De val van het fort was een zware schok voor de Portugese gemeenschap, zij waren bang dat de Nederlanders de dorpen om het fort zouden aanvallen en plunderen, daarom vluchtte de bevolking de bergen ten zuiden van Ambon stad in. Na twee dagen gingen er twee priesters naar beneden om met Van der Haghen te onderhandelen over het lot van de Portugese christelijke gemeenschap in verband met hun veiligheid, dat van hun have en goed en een vrije godsdienstuitoefening. In de dagen daarop kwam er nog een delegatie onder leiding van de kolonist Diego Barbudo, de Radja’s van Kilang en Soya en 21 hoofdmannen van de katholieke en Mestiezen gemeenschappen op Leitimor. Zij verzochten de vertegenwoordigers van de Staten van Holland bescherming te verlenen. Intussen was de grond onder de voeten van de Portugese kapitein en zijn mannen te heet onder de voeten geworden en besloten zij Ambon te verlaten. Het ging om een paar honderd man, de kapitein ging met een aantal manschappen terug naar Malacca, doch een groot gedeelte van de |Portugezen vertrok naar Solor, waar zij sinds 1560 een fort hadden. Er bleven 32 gezinnen op Ambon achter, waaronder de twee priesters. Gedurende de tijd toen Van der Haghen op Ambon verbleef konden de katholieken rustig hun gang gaan om hun geloof te beleiden, maar dat veranderde toen hij naar Nederland terugkeerde. De Nederlandse troepen, die overwegend calvinistisch waren, begonnen de dorpen te plunderen en kerken alsmede huizen in de brand te steken. Frederik de Houtman werd in 1605 tot eerste landvoogd van Ambon benoemd, hij kon de militairen niet tot stoppen dwingen. De soldaten werden wel gestraft maar hij beschuldigde de Portugese hoofdman en de twee priesters van provocaties. Hij besloot de Portugezen van Ambon te verbannen. De 150 overgebleven mensen werden met een minimum aan proviand en water op een boot gezet, zonder navigatie-instrumenten en ook geen ter zake kundige zeeman aan boord. De boot vertrok naar het noorden en na lange tijd wat rondgedreven te hebben kwam deze toch aan op Cebu op de Filippijnen waar de Portugezen opgenomen werden door de Spaans katholieke gemeenschap aldaar.

Met het verdwijnen van deze groep Portuegzen van Ambon is hun aanwezigheid vervangen door die van de Nederlanders en eindigt hiermee het verhaal. Tot besluit een citaat uit het boek “De Waaier van het Fortuin”door Joop de Jong:“De verschillen in militaire, maritieme technologie en organisatorische structuur verklaren iets van het succes dat de Nederlanders hadden bij hun aanvallen op de Portugese vestigingsplaatsen. Bij de verdere opzet brachten de Nederlanders echter nauwelijks nieuwe elementen in. Vaak namen zij de Portugese vestigingen met inwoners en al over. In vrijwel alle gevallen volgde de VOC het Portugese systeem: al dan niet versterkte factorijen, vaste vestigingen op strategische plaatsen, die als interne en externe communicatieschijf fungeerden, de indeling in verschillende woonwijken met onderscheidene bevolkingsgroepen onder eigen hoofden en de hieraan inherente autonomie via feodale relaties. Het bij het Aziatische systeem aansluitende Portugese model werd ook het kompas waarop de Nederlanders in sociaal en cultureel opzicht voeren.”

                                                       

                                                              null


Hier het grillig gevormde eiland Ambon. Dat bestaat uit twee delen Leihitu en Leitimur. De plaatsen die in het verhaal worden genoemd zijn rood onderstreept.





Voor het samenstellen van dit verhaal is gebruik gemaakt van www.londoh.com en

Bunga Angin Portugis di Nusantara Jejak-jejak Kebudayaan Portugis di Indonesia door: Paramita R. Abdurrachman. Uitg.: LIPI Press in samenwerking met Yayasan Obor Indonesia 2008.

Four centuries of Portuguese expansion 1425 - 1825 door C.R. Boxer.
Witwatersrand University Press, Johannesburg 1963

De Waaier van het Fortuin door Joop de Jong SDU Uitgevers, Den Haag 1998

Diverse naslagwerken en bronnen op het internet.